Tuinbonen – Coens column

Het is 4 mei 1987. De zon schijnt vanuit het zuidwesten de slaapkamer in. Het dubbelglas breekt de vrije val van de talloze lichtdeeltjes, moe van de lange reis door het oneindige heelal. Dit is het juiste moment, besluit ik, en ik geboor mijzelf. Mijn slappe lichaam komt naar buiten. De navelstreng is strak om mijn nek gewikkeld, alsof iemand – of ikzelf, ofschoon ik ook iemand ben – me heeft opgeknoopt. Mijn hoofd is blauw; ik adem niet. Dood, denkt mijn vader. Dood, denkt mijn moeder. Dood, denk ik. Buiten op straat worden de gevallenen herdacht. Er klinkt nergens geschreeuw. Er klinkt alleen maar stilte. Iemand haalt opgelucht adem. De trompetten worden vakkundig bespeeld. De kransen worden zorgvuldig neergelegd.

Het is 4 mei 1998. In het huis waar ik woon zitten familieleden te wachten op mijn komst. Ze drinken hun koffie en eten hun taart. Mijn groene Scoutingpetje puilt uit mijn jaszak terwijl ik snel door de Katwijkse straten fiets. Thuisgekomen ga ik naast mijn ouders op de bank zitten. Ik kijk de kamer rond, en vraag me af wie van de aanwezigen het eerste zal sterven. Er gaat naar niemand een sterke voorkeur uit. ’s Avonds sta ik bij het gemeentehuis, tussen mijn vader en mijn opa in. We herdenken de gevallenen. Het worden er steeds meer.

Het is 4 mei 2010. Ik ben alleen. ’s Ochtends bellen mijn ouders vanuit de auto. Lang zal hij leven, zingen ze. Het concert klinkt vrolijk en gemeend. Na een paar minuten hang ik op. Ik loop naar de gang en kijk in de spiegel. Op mijn hals zitten geen striemen. Mijn gelaat is gezond bleek.
’s Avonds komt mijn vriendin eten. Ik maak tuinbonen die ik dubbel dop, en ik bak lamskoteletten. Om 20.00u maak ik ruzie met mijn vriendin. Het gaat over iets onbenulligs, iets met tuinbonen. We schreeuwen tegen elkaar. We gebruiken woorden die al eerder zijn gebruikt in boeken en films. Even later kijken we samen het journaal. Op De Dam zijn de gevallenen herdacht en klonk er een schreeuw. Er is niets aan de hand. Ik doe de televisie uit en loop de tuin in. Het is nog licht. Er klinken geen trompetten meer. Ik haal adem. Lang zal ik leven, mompel ik.

Coen van Beelen

Be Sociable, Share!

Leave a Reply