Bloempot – Coens column

Ze drinkt nog even een kopje koffie, voordat zometeen de rondleiding door het gerenoveerde Academiegebouw begint. Een witte zomerjas moest voldoen op deze warme dag. Om haar hals hangt een zijden sjaaltje blauw te zijn; haar kapsel geeft een nieuwe dimensie aan het woord bloempot.

Naast haar zit een milde variant van Marijke Helwegen. Het doodgeverfde rode haar van de vrouw past uitstekend bij haar verdacht volle lippen. De huid van haar gezicht lijkt op verkreukeld cellofaan dat tegen beter weten in weer strakgetrokken is. Ik probeer hun gesprek op te vangen.

     ‘Nee, Leiden was vroeger een stille stad,’ zegt Bloempot, ‘een armoedige stad zou ik willen zeggen.’ Helwegen knikt. Twee verwaaide vijftigers die zich wanhopig afvragen hoe ze hier in godsnaam zijn terechtgekomen, luisteren met geveinsde aandacht en lachen beleefd.
   Helwegen haalt adem om iets te zeggen. ‘Maar de entourage is hier wel aardig, die antiekwinkeltjes enzo. Heel apart.’
     Bloempot kijkt haar meewarig aan en zegt: ‘Toch is het in Wassenaar beter winkelen.’

We worden opgehaald. De op Theo Hiddema gelijkende gids vertelt de zestien deelnemers zijn verhaal voor de ingang van het historische pand. Als eerste doen we de oude kapel aan. ‘Het academiegebouw is ingrijpend veranderd, en voor sommigen aangrijpend,’ zegt de gids. De grap landt niet echt. Aan rolbare kapstokken hangen enkele vergeten jassen. Het blijkt dat het voormalige kerkgebouwtje tegenwoordig dienst doet als garderobe. ‘Liggen er onder deze vloer nog mensen begraven?’ vraagt iemand.
     We lopen naar het klein auditorium, waar de muren merkwaardig genoeg met een baksteenmotief zijn beschilderd. Bloempot stelt een vraag over een schilderij. De gids geeft een onbevredigend antwoord en loopt snel weer verder. Bloempot drentelt achter hem aan, gevolgd door Helwegen.
     In de togakamers hangen de gewaden van alle hoogleraren. Ik zie er een hangen van een hoogleraar die al vijf jaar met emiraat is. Kennelijk hoefde hij die oude troep niet in huis te hebben. Intussen stelt Bloempot weer een vraag. De gids negeert haar. Aan het einde van de rondleiding komen we langs een vitrine met blauwe knopen. De gids legt uit dat die werden gedragen door studenten die ervoor uitkwamen geheelonthouder te zijn. Het verhaal gaat dat een prominent lid van de Blauwe Knoop op een dag naar de opticien was geweest voor een nieuwe bril. Op het Rapenburg komt hij een ander lid tegen. ‘Zo, jij hebt al vroeg twee glaasjes op!’ zegt het andere lid, waarop de brildrager antwoordt: ‘Kun je het ruiken?’ Bloempot begrijpt het niet. Helwegen probeert krampachtig te lachen.
     Dan is de rondleiding afgelopen. De gids houdt zijn hand niet op. Ik laat het muntstuk dat ik al had gepakt in mijn zak zitten. Door het Rapenburg vaart een boot. Om de hoek zie ik nog net Bloempot weglopen, in haar hand een wit plastic tasje, op weg naar Wassenaar.

Coen van Beelen

Be Sociable, Share!

Leave a Reply