Coens column – Mulisch

Toen ik in 2006 met een vriend het Oost-Duitse stadje Weimar bezocht, was dat voornamelijk omdat daar Johann Wolfgang Goethe het grootste gedeelte van zijn leven heeft doorgebracht. Vanuit het raam van mijn logeeradres keek ik neer op het huis waar hij van 1775 tot het jaar waarin hij stierf, 1832, heeft gewoond. Een groot pand met gele muren en een poort die groot genoeg is om een paardenkoets doorgang te verlenen.

Als een volleerd Boudewijn Büch stapten we door Weimar. We bezochten Goethes tuinhuis (lees: riante woning), controleerden of concentratiekamp Buchenwald er nog stond, wat het geval was, en liepen een 500 meter lange helling op om voor een dicht Nietzsche-Archiv te kunnen staan.

Aan deze korte vakantie moest ik denken, toen ik zondag hoorde dat Harry Mulisch was overleden. Mulisch beschouwde Goethe altijd al als zijn literaire grootvader. De tekenen zijn bij nader inzien overduidelijk: mijn zoektocht naar Goethe in Weimar, was ook een zoektocht naar Harry Mulisch geweest.

Als Mulisch de Tweede Wereldoorlog was, dan was kamp Buchenwald een onderdeel van Mulisch. Het is natuurlijk ook geen toeval dat Buchenwald zich behalve in Beukenbos, tevens in Boekenbos laat vertalen. Onze poging het Nietzsche-Archiv te bezoeken kan ook nader worden verklaard. De dag dat Nietzsche zijn verstand begon te verliezen, was de dag dat Adolf Hitler werd verwekt. Toen Hitler werd geboren, was Nietzsche volledig van deze wereld weggevaren. Hitlers geboorte is de doodsoorzaak van Friedrich Nietzsche. Althans, dat schrijft Harry Mulisch in zijn laatste roman, Siegfried. Ons bezoek aan het (gesloten) Nietzsche-Archiv, moest dus wel volgen op een bezoek aan het (geopende) Buchenwald.

Op de laatste dag van ons bezoek aan Weimar bezochten we Goethes graf. Zijn kist is niet begraven maar staat boven de grond, in de crypte van een mausoleum, achteraf gelegen op een groot grijs kerkhof. Er was niemand in het mausoleum. Het was er koud en vochtig. Daar stonden we, tegenover de kist van de grote Duitse schrijver. Het gietijzeren hek dat de kist omringde was niet hoog. Ik wilde de kist aanraken, ik wilde Goethe voelen. Toen ik mijn hand uitstrekte, en op het koude gelakte hout van de kist legde, wist ik nog niet dat ik nooit dichter bij Harry Mulisch zou komen dan op dat moment.

Coen van Beelen

Be Sociable, Share!

Leave a Reply