Coens column – Hoe ik in Brussel geen prijs won

Vorige week donderdag mocht uw columnist een prijs ophalen in Brussel. Althans, dat was de bedoeling, want hij was genomineerd voor de Prijs voor de Jonge Kunstkritiek, in de categorie ‘essay’. Speciaal voor uNews noteerde hij wat hij zag, hoorde en voelde. Dit is het redelijk chronologische, ongecensureerde verslag van een nederlaag.

Ooit was Brussel een bruisende stad, zo luidt de legende. In elk geval was dat in een ver verleden. Het enige wat nu nog bruist in de Europese hoofdstad is de plas vocht waar de urinestraal van Manneken Pis in uitmondt. En zelfs dat konden wij (ik werd vergezeld door mijn vriendin Eline en goede vriend Bart uit Amsterdam) vorige week niet waarnemen. Kennelijk is ook de blaasinhoud van Manneken Pis eindig.

Achteraf waren de voortekenen al duidelijk. Toen Eline en ik ‘s morgens bij de bushalte stonden te wachten, klaar om richting station Leiden Centraal te vertrekken, belde ik voor de zekerheid Bart om te vragen of hij er al bijna was. We hadden om 11.00u in Leiden afgesproken, wat inhield dat Bart rond 10.15u uit Amsterdam moest vertrekken. 10.45u kreeg ik hem aan de lijn. ‘Ik stap zo op de metro, dus ik ben over tien minuutjes op Amsterdam Centraal.’ Bart had zich in het uur vergist. En in het station. En in de afspraak. Bart had zich eigenlijk in alles vergist.

Geen nood, dan maar een uurtje wachten in Starbucks. Voor velen het koffiewalhalla, voor mij een pretentieuze tent waarin redelijke kwaliteit wordt geschonken voor belachelijk hoge prijzen. Maar dit terzijde. Ik moet toegeven: de cheesecake was lekker. Dat was maar goed ook, want een opsteker kon ik inmiddels wel gebruiken; bij aankomst in Leiden bleek dat mijn rugzak – die vol zat met boeken, schrijfmateriaal en schone kleding – had besloten niet meer goed dicht te kunnen. Na enig duw- en sjorwerk ontdekte ik een manier om de tas dicht te krijgen en te houden. Op goed geluk!

Bart kwam, evenals de trein naar Den Haag Holland Spoor. Daar stapte we over op de intercity naar Brussel die ons twee uur later, zoals beloofd, op Brussel Centraal dropte. Toen we de stad binnenreden, werden we verwelkomd door een lange straat vol gebouwen met grote ramen waarachter prostituees hun waar tentoonstelde. Eerlijk gezegd begrijp ik niet wat er zo bijzonder is aan de Amsterdamse Wallen, als in andere steden dit soort imposante straten bestaat.

Ook dit was achteraf gezien een voorteken. Want toen we bij ons hotel aankwamen – we hadden besloten dat het wellicht leuk was een dagje langer in Brussel te blijven – bleken enkele sexshops, nachtclubs en bordelen als uitzicht te fungeren. Het Hotel zag er evenmin florissant uit. De naam van het slaaphuis was met bloedrode horrorletters geschreven en aan de gevel bevestigd: Manhattan. Achter de balie stonden twee mannen van rond de vijftig. Hun kleding was even stoffig als hun haardracht, en na enig aandringen kregen wij de sleutel mee voor kamer 21, derde verdieping. Een lift takelde ons omhoog. 240 kilo / 4 personen stond er op een metalen plaatje. Net toen ik bedacht dat ik weinig volwassenen van 60 kilo ken, waren we boven. De kamer voldeed. Uit financiële overwegingen hadden we een driepersoonskamer genomen. Bart nam plaats op een van de bedden, zakte twintig centimeter omlaag en zei: ‘Voor 20 euro extra heb je toch wat meer comfort.’ Eline en ik knikten. We wisten dat hij gelijk had.

Het was tijd om naar de Beursschouwburg te gaan, waar de prijsuitreiking zou plaatsvinden. Samen met drie anderen was ik genomineerd voor de Prijs voor de Jonge Kunstkritiek, in de categorie essay. Ieder van ons had een essay geschreven waarin we huidige ontwikkelingen in de moderne kunst moesten verbinden met tendensen in de samenleving. Voorwaar geen gemakkelijk karwei, maar ik was genomineerd, dus kennelijk had ik me er goed van gekweten.

Het was een donkere zaal. We waren de eersten, op één iemand na. Een meisje van achter in de twintig kwam op ons af. In haar hand hield ze drie consumptiebonnen. Ik had er zes gekregen voor ons drieën. Kennelijk onderhield ze warme banden met een van mijn medegenomineerden, want ze wist te vertellen dat die in New York zat en zodoende niet aanwezig kon zijn. Spijtig kon ik het niet vinden, prettig evenmin. Ik nam het ter kennisneming aan, nipte wat van mijn Coca Cola Light en nam een filodeegflapje met ondefinieerbare inhoud, dat overigens zeer redelijk smaakte.

Het werd drukker in de ruimte. Om de twintig seconden werden er schalen met hapjes bijgezet, zodat er uiteindelijk achttien schalen over de tafels waren verdeeld. Plotseling hoorde ik het meisje van achter in de twintig een kreet van verbazing uitslaan. De genomineerde uit New York was toch gekomen! Daar stond hij met zijn bijna kale hoofd, in een net pak gestoken dat niet pastte bij een negenentwintigjarige. Ik wist het direct. Zijn aanwezigheid kon maar één ding betekenen: hij had gewonnen. Bart zat aan de bar en herhaalde zo’n twaalf keer: ‘Jezus, wat een slecht pak.’

Thuis had ik al beredeneerd waarom ik niet zou winnen. Ik was oprecht geweest tegenover mijzelf. Mijn stuk was goed, daar bestond geen twijfel over, maar zou waarschijnlijk te veel uit de toon vallen vergeleken bij de stukken die de andere genomineerden hadden ingeleverd, zeker gezien hun c.v.’s. Bovendien citeerde ik nergens in mijn stuk Walter Benjamin. Een doodzonde, als je in de kunstkritiek serieus wilt worden genomen.

Zoals ik het verwachtte, is het ook gegaan. Maarten Doorman, juryvoorzitter van dienst, verkondigde dat het opstel van Coen van Beelen veel uiteenlopende reacties had teweeggebracht, maar het slechts moest doen met een welverdiende eervolle vermelding en een bos bloemen. Het was een teleurstelling, maar geen verrassing. De prijs ging naar de jongen uit New York, die in zijn stuk enkele keren Walter Benjamin aanhaalde. ‘Wat is het toch een allejezus slecht pak,’ hoorde ik Bart achter mij mompelen. Ik keek Eline aan. We knikten. We wisten dat hij gelijk had.

Er was geen champagne, wel cava. Maarten Doorman kwam bij ons aan tafel zitten. Hij nam een filodeegflap en haalde hem door de tzatziki. ‘Gal is een goede brandstof voor het schrijven,’ zei hij, terwijl we de deegflap vermalen zagen worden tot pulp. Op de achtergrond werden er foto’s gemaakt van het slechte pak. Een vrouwtje dat zonder gezelschap was en blijkbaar als publiek had gefungeerd, liep alle tafels af op zoek naar versnaperingen. Ook zij deed zich tegoed aan de filodeegflapjes. Na elke hap doopte ze het afgekloven stukje opnieuw in de tzatziki. Ik besloot het er wat hapjes betrof die avond bij te laten.

Hotel Manhattan lag er rustig bij toen we er ’s nachts terugkeerden. We namen de trap naar boven. Bart ging op bed liggen en besloot dat de kwaliteit eigenlijk best meeviel. Niet veel later vielen we allemaal in slaap. Buiten klonken continu sirenes. We snapten ineens waarom het hotel heette zoals het heette. De volgende ochtend vertrokken we rond elf uur, op weg naar het Europees Parlement. We wisten toen nog niet dat er vrijdagmiddag geen rondleidingen worden gegeven. We wisten zoveel niet. In de hotelkamer lag de bos bloemen te verwelken in een bruinig bidet. ‘Jezus Christus,’ zei Bart, ‘wat een slecht pak.’

Coen van Beelen

Be Sociable, Share!

One thought on “Coens column – Hoe ik in Brussel geen prijs won

  1. Bedankt voor je inzicht voor deze methode geweldig verhaal, dit is het soort functie die me nog steeds al is het day.I heb al lange tijd op zoek naar rond voor uw webpagina volgende ik over hen geleerd van een metgezel en was blij toen ik in staat was om kom het gewoon na het bekijken voor een tijdje.

Leave a Reply