Coens column – Clown van de toekomst

‘Ah, Q-y98P.’
     ‘Present, grootmeester.’
     ‘Fijn dat je weer gekomen bent. Toch jammer dat je de enige student bent die geïnteresseerd is in de oude menselijke geschiedenis. Eens even zien, waar waren we gebleven?’
     ‘Bij de werkende mens, grootmeester.’
     ‘Oh ja, dat is waar ook, Q-y98P. Je kunt wel zien dat jullie generatie al vanaf de geboorte extra geheugen geïmplanteerd krijgt. Enfin, de werkende mens. We zijn aan het begin van het tweede milennium. De mensensoort is nog steeds geketend door het systeem dat het zelf heeft ontworpen.’
     ‘Maar grootmeester, waar is het precies misgegaan?’
     ‘Dat is moeilijk te zeggen. Ik zal de situatie schetsen.’

‘Eigenlijk bestaat er een constante frictie tussen activiteit en passiviteit, vertegenwoordigd door de systemen “werk” en “vrije tijd” die lijden en geluk representeren. We nemen als voorbeeld een klein jongetje. Het jongetje heeft tot zijn vierde levensjaar alleen maar vrije tijd, maar door de matige ontwikkeling van de hersenen, die toen nog niet werden gemodificeerd na de geboorte, kan hij zich dat nog niet realiseren. Vervolgens gaat het jongetje naar de basisschool. Hoewel de gevraagde inspanningen daar gering zijn, leeft het kind in de illusie dat er niets buiten de school bestaat. Dan komt de middelbare school. Het kind is door de ouders gewaarschuwd: hij zal zijn hele leven lang terugdenken aan deze periode van vrije tijd en rust. Maar het kind, dat inderdaad relatief gezien veel vrije tijd heeft, lijdt aan de druk van het sociale leven en het lichaam, dat toen nog vrij lang de tijd nodig had zich te ontwikkelen. Die problemen spelen deels ook tijdens de vervolgopleiding. De adolescent zwemt in de tijd, maar beseft het niet doordat het geringe werk dat moet worden verricht constant wordt uitgesteld, en daardoor oneindig lijkt.’

‘En wat gebeurde er daarna?’

‘Na de vervolgstudie komt de mokerslag: het werkende leven. Er moet een baan worden gekozen, een die meestal in weinig lijkt op wat de man het liefste wil doen. Het verdiende geld, dat voor de meeste mensen toch het hoofddoel is, wordt besteed aan reiskosten, het dagelijks levensonderhoud van het gezin en sparen voor het pensioen. Vrije tijd is er weinig en gaat grotendeels op aan uitrusten, echtelijke ruzies en ongewenste sociale verplichtingen waar men niet onderuit komt.

‘Maar daarna kwam er toch een periode dat ze niet hoefden te werken?’

‘Inderdaad. Nadat er volgens de wet genoeg is gewerkt mag het gespaarde geld worden opgemaakt. Maar meestal duurt het een paar jaar voor de man overlijdt aan een hartaanval. Of zijn lichaam is te krakkemikkig geworden om nog maar iets te kunnen uitrichten. Mensen werden toen niet oud. Meestal een jaar of zeventig. Celregeneratie was nog iets arbitrairs dat men aan de grillen van de natuur overliet. Ach, naïviteit is kenmerkend voor het vroege mensenras.’

‘Maar grootmeester, zagen ze zelf niet in dat ze eigenlijk heel zielig waren? Dat ze zelf een systeem in stand hielden dat hen ongelukkig maakte?’
     ‘Dat is moeilijk te zeggen. Ze konden niet anders. Ze wisten niet beter. Om een Duitse schrijver uit die tijd te parafraseren: Het feit dat je aan een bepaalde tijd vastzit geeft je een enorm voordeel op het verleden, maar maakt je een clown van de toekomst.’
     ‘Wat is een clown?’
     ‘Dat leg ik in een volgend college nog wel eens uit.’

Coen van Beelen

Be Sociable, Share!

Leave a Reply