Coens column – Het rosémeisje

Het is weer lente. De tijd dat de bloemetjes hun antidepressiva aan de wilgen hangen, veel te lange rokjes het straatbeeld opluisteren, kerncentrales oververhit raken en ijsberen dood neervallen. Maar in Leiden is dat nog niet alles. Want zodra de zon ook weer mag meedoen in het straatbeeld, komen ze weer uit hun holletjes gekropen: de rosémeisjes. Omdat het voor sommigen misschien nog een onbekende soort is, zal ik ze even kort omschrijven:

Rosémeisjes zijn actief gedurende de periode maart tot en met begin oktober (met een marge van een aantal weken). Ze dragen meestal spijkerbroeken, soms rokjes, en zijn overal te vinden in en rondom universiteitsgebouwen. Op de een of andere manier hebben vrij veel exemplaren een licht hese stem – wellicht door de consumptie van filtersigaretten, een door hen zeer geliefd product – en heeft Moeder Natuur hen gezegend met een zeer prominent aanwezige Gooise ‘r’, afgewisseld met de welbekende huig-r, die wordt gebruikt aan het begin van een woord (zoals het woord rosé). Als ik de biologen die hun gedrag hebben bestudeerd mag geloven, zitten de rosémeisjes zodra het eerste zonlichte het Leidse grachtwater verwarmt op een van de vele terrasjes, alwaar zij op karakteristieke wijze een ‘roseetje’ bestellen. Vandaar dan ook: rosémeisjes.

Wat zij ’s winters doen is overigens niet helemaal duidelijk. Boze tongen beweren dat zij dan op lompe wijze grote hoeveelheden bier achteroverslaan in donkere panden, alwaar zij worden belaagd door producten van het andere geslacht. Het schijnt dat ze veelal uit glimmende stof vervaardigde korte jasjes dragen, waarop in dikke letters een flauwe, dikwijls seksueel georiënteerde naam staat die aangeeft welke positie zij innemen in de roedel. U ziet: het rosémeisje beschikt over een uitstekend aanpassingsvermogen, waardoor ze ook de koude, roséloze maanden doorkomt, uiteraard ook terend op de flinke voorraad die zij gedurende de lente en de zomer heeft ingeslagen.

De komst van de rosémeisjes betekent voor mij de komst van ambivalente gevoelens, want iedere keer wanneer ik rosémeisjes in het wild tegenkom word ik bevangen door een prettig soort ergernis. De manier waarop ze lopen, hoe ze zich kleden, de onnavolgbare wijze waarop ze roseetjes bestellen en het meisjesachtige vriendinnetjesgedrag dat zij daarbij tentoonspreiden. Ik erger me, maar tegelijkertijd geniet ik met volle teugen, zoals je kunt genieten van een zomerse regenbui terwijl je er toch ook nat van wordt. Het is een sadomasochistisch genoegen waar Jan Mulder nog een puntje aan kan zuigen. Alleen daarom al ben ik blij dat de rosémeisjes bestaan, en dat zij elke lente weer hun glaasjes klinken. Mocht u er een willen zien: loop deze week eens wat rond in de binnenstad. Wellicht komt u mij ook wel tegen, gewapend met een verrekijker, notitieblokje en, natuurlijk, een fles rosé.

Coen van Beelen

Be Sociable, Share!

Leave a Reply