Coens column – Een stukje Berlijn

Berlijn behoort tot het groepje Europese steden die je niet in de zonneschijnende maanden moet bezoeken. Een andere stad uit dat selecte gezelschap is bijvoorbeeld Praag, wier romantische grauwheid pas echt goed tot haar recht komt als donkere wolken de zwartgrijze tinten van het met roet besmeurde zandsteen accentueren. Zo is dat ook met Berlijn. Toen ik daar afgelopen weekend rondliep, bekroop mij een ander gevoel dan dat ik twee jaar geleden had, toen ik er voor het eerst was.

Dat was in november geweest. Het was steenkoud. Ik had de lange kamelenharen winterjas van mijn opa aangetrokken. We overnachtten bij een vriend van mijn vriend, een kunstschilder die al enige jaren in Berlijn verbleef, hopend op het grote succes. Hoewel ik op de grond sliep in een kamer met enkelglas, slechts verwarmd door een traagwerkende vooroorlogse steenkolenkachel, en ’s ochtends de koolmonoxidemelder waarvan ik de plaatsing had afgedwongen loeide als een Russisch luchtalarm, was ik daar toch gelukkig. De kille donkerte verzorgde de juiste belichting, de juiste atmosfeer die hoorde bij het Berlijnse decor.

Hoe anders was dat afgelopen weekend. Thermometers wezen 24 graden aan. Mensen liepen halfnaakt over de Lustgarten. In dit nietsverhullende licht bleek de Brandenburger Tor ineens het mongolide broertje van de Arc de Triomphe. De lege boekenkasten in het boekverbrandingsmonument werden gereduceerd tot potentieel brandhout. Zelfs de Reichstag kon me maar weinig bekoren; waar is Marinus van der Lubbe als je hem nodig hebt? En oh ja, er was ook iets met een muur ofzo.

De drie hoogtepunten beleefden we dan ook niet buiten, maar binnen. Eerst was daar de Berliner Dom, die met zijn megalomane pracht en praal toch intrigeert. Daarna de Humboldt Universität. Het was zaterdag, en geen student te bekennen. We liepen door de hoge stenen gangen, beklommen kolossale trappen en betraden verboden kamers. Toch bleven we wat op onze hoede, want hoewel er niemand leek te zijn die ons controleerde, weet je dat in Duitsland natuurlijk nooit zeker.

Wel zeker was dat we een dag later werden bekeken toen we in de Alte Nationalgalerie liepen, waar meer suppoosten dan bezoekers waren. En daar, op de tweede verdieping, stuitte ik zomaar op Die Toteninsel van Arnold Böcklin. Eindelijk, in het laatste uur dat ik in Berlijn was, beleefde ik weer heel even dat gevoel van twee jaar geleden. In de museumwinkel zocht ik de poster. Zoals sommige mensen stukjes Berlijnse muur mee naar huis nemen, zo nam ik Die Toteninsel mee. Het hangt nu bij mij aan de muur. Mijn eigen stukje Berlijn.

Coen van Beelen

Be Sociable, Share!

Leave a Reply