Coens column – Bellen

I.
Zaterdag. Ik sta in een karaokebar en hoor twee vrienden mompelen over ‘iets’ in Alphen aan de Rijn. Het is elf uur ’s avonds; door gelukkige omstandigheden heb ik al twaalf uur lang geen nieuwsberichten tot me genomen, en dus vraag ik wat er aan de hand is. De meeste gesprekken naar aanleiding van ‘rampen’ zijn te reduceren tot: waar was jij toen je het hoorde? Ik sta dus in een karaokebar wanneer ik het hoor. Ineens lijkt elk liedje dat we meezingen ‘toepasselijk’, en heel even voel ik me onveilig, een potentieel doelwit. Iedereen om mij heen spreekt en zingt vrolijk verder. Bij hen is de verwerking reeds uren geleden begonnen, en dat is ruim voldoende voor een onbezorgde avond.

II.
Zondagochtend. Al Pacino mag bekendstaan om zijn overacting, in het eerste deel van The Godfather is daar nog geen sprake van. Het is de tweede keer dat ik de film zie, en ik geniet van elke seconde. Op sublieme wijze wordt het gebruik van excessief geweld geësthetiseerd. De dood is iets zakelijks, een ingecalculeerd bedrijfsrisico. Wanneer Salvadore Tessio wordt omringd door Michael Corleone’s lijfwachten en hij beseft dat zijn verraad is ontdekt, vraagt hij of ze Michael willen vertellen dat zijn verraad puur zakelijk was; hij heeft Michael altijd gemogen. Vervolgens aanvaardt hij zijn lot en laat hij zich wegvoeren, zijn dood tegemoet. De scène is even huiveringwekkend als ontroerend.

III. 
Zondagmiddag. Ik heb boodschappen nodig. Via de site van Albert Heijn zie ik dat een filiaal in Warmond is geopend. Ik prent de route die Google Maps mij geeft in mijn hoofd en stap op de fiets. Hoewel het buiten warm is draag ik een sjaal om mijn keel te beschermen, die nog pijn doet van de vorige avond. De geur van gloeiend houtskool hangt in de lucht; er wordt vlees geroosterd. Ik denk aan de Albert Heijn waar ik heenga. Straks zal ik tussen twee kassa’s staan, maar dan om boodschappen af te rekenen, in plaats van met mijzelf. Geweld is overal. De gedachte maakt me somber. Dan gebeurt er iets wat ik van Gerard Reve niet zou mogen opschrijven. Ik zie vijftig meter verderop een klein meisje achter een boom staan. Ze draagt een roze trui. Ze verstopt zich, alsof ze iets in haar schild voert. Wanneer ik twintig meter van haar verwijderd ben springt ze tevoorschijn. Ze haalt iets achter haar rug vandaan. Het is een potje bellenblaas. Met het puntje van haar tong tussen haar lippen doopt ze vlug de plastic cirkel in het sop. Ze blaast ijverig, met de grootste precisie. Ik rijd haar voorbij, en voor even, voor heel even, bestaat mijn wereld uit zeepbellen.

Coen van Beelen

Be Sociable, Share!

Leave a Reply